Het woord kermis is ontstaan uit de kerkmis. Deze mis werd opgedragen ter ere van de naamdag van de patroonsheilige van de plaatselijke kerk of de jaardag van de inwijding van de kerk. Voor veel middeleeuwers was kermis ook synoniem met jaarmarkt. Waar veel mensen samenkwamen was het goed toeven voor handelaren.
En zo kunnen we de kermis nog veel vroeger plaatsen. Cicero vertelt dat in de dagen van Pytagoras, in de 6e eeuw vóór Christus, dat vele handelaren de heilige Olympische Spelen bezoeken om zaken te doen. Het oude Romeinse rijk kende zijn 'nundinae', een markt die om de negen dagen plaats vond. Naast het kopen en verkopen van zaken werd de nundinae ook gebruikt om wetten en decreten openbaar te maken en om mensen te vermaken. Een decreet is een verordening van overheidswege, zoals tegenwoordig bijvoorbeeld een Algemene Politie Verordening. De Romeinen kende een 'marktvrede' wat zoveel betekende als dat tijdens deze markten vetes en vijandelijkheden werden opgeschort. De nundinae was een 'feriae'; een vrije, heilige dag. In de Engelse taal wordt een kermis daarom nog steeds een 'fair' genoemd.
Voor de gewone mens was er niet zo veel te beleven in de middeleeuwen. Een kermis annex jaarmarkt mocht dan ook rekenen op meer dan gewone
aandacht. Al sinds de middeleeuwen worden mensen gelokt naar een feest dat bestaat uit drie vaste thema’s: Heiligheid, Handel en Vermaak. Deze drie thema’s staan garant voor een grote massa mensen, hetgeen op hun beurt de kerk, de handelaren en de artiesten niet onwelgevallig was.
Zo is de cirkel helemaal rond. Maar handel, heiligheid en feestvreugde gaan niet altijd hand in hand. Vooral de heiligheid dreigde wel eens onder te sneeuwen in de roes van de uitbundige feestvierders.
De vrijheid die de kermis met zich meebracht en het feit dat de mensen zich konden uitleven als prinsen, met veel eten en drinken, was tegen het zere been van de kerk en sommige hoge heren. Zij vonden dat de gewone mens zich sober moest gedragen; dit in tegenstelling tot de geestelijken en adel die zich niet zelden te buiten gingen aan drank, voedsel en wilde feesten. Tijdens de kermis deden de gewone mensen hetzelfde, maar al doende zette zij met hun protsen en grappen diezelfde adel en geestelijkheid voor gek.
Pelgrimsinsignes die werden gedragen op de kleding van vrome pelgrims werden nagemaakt om te spotten met de kerk en het geloof.
Ondanks het feit dat de adel en de geestelijkheid volop profiteerden van de kermis hadden zij er ook last van. Niet alleen omdat zij bespot werden en zo gezag verloren, maar de kerk had er moeite mee dat de goegemeente dagenlang, soms zelfs wekenlang, alles deed wat God verboden had. Slempen, brassen, openlijke vrijages, vechtpartijen, dansen en gokken; het was aan de orde van de dag tijdens de kermis. De heren hadden moeite met het gefeest omdat er natuurlijk nauwelijks nog gewerkt werd door het volk. De wetteloosheid en de schade aan mensen en zaken moet, samen met het werkverzuim, een aardige duit gekost hebben.
In het Historisch Openlucht- Museum Eindhoven wordt er elk jaar een middeleeuwse Kermis gehouden. Zie het jaarprogramma voor de exacte data.
Een geliefd spotmiddel was de spotbeker. Hierboven zien we een beker die gevonden werd tijdens een opgraving op het stadhuisplein in Eindhoven. De beker is gemaakt in de vorm van een monnik. Uit de opengeslagen kap van de monnik kon men drinken. In zijn armen houdt hij een half naakte dame vast, vermoedelijk een prostituee, die met haar hand naar zijn geldbuidel reikt die aan zijn gordel hangt.
Dankzij de vrijheid op de kermis en de grote getalen waarin de mensen het feest bezochten was het een ideale huwelijks- markt. Met een dansje en een borreltje zal menige verloving op de kermis begonnen zijn.
Het oorspronkelijke hoogtepunt van de middeleeuwse kerkmis was een processie, waarin kleurig geklede priesters, gildebroeders en anderen vaandels en beelden van de door de straten droegen. In Eindhoven was dat waarschijnlijk de heilige Catharina. Naast de mis vonden ook allerlei feestelijkheden plaats in de stad. De herbergen vormde daarbij een middelpunt (zie ook ons thema Herberg in de middeleeuwen).
En het was ook nog een jaarmarkt. Een uitgelezen gelegenheid voor de stedelingen en het plattelandsvolk uit de wijde omgeving om goederen aan te man te brengen, maar ook om vele zaken te kopen. Sommige schaarse of exotische artikelen waren alleen tijdens de jaarmarkt te koop. Dat was te danken aan het feit dat op zo’n kermis ook vreemden hun waren aan de man mochten brengen. Uit den Bosch en andere steden is het gebruik van ‘marktkruizen’. Deze werden geplaatst om aan te geven waar paarden mochten worden verhandeld. Soms was het ook een teken – bijvoorbeeld geplaatst op het bordes van het stadhuis – dat er vrijhandel mocht plaats vinden.
Op de schilderijen van Balten en Bruegel (hier boven: Pieter Bruegel Jr. (1564-1638), Flemish Fair) ziet men welke activiteiten er plaats vonden op een kermis. Op het schilderij hierboven ziet men rechts de processie met rode vanen richting de kerk lopen, terwijl in het centrum een ondeugend toneelspel wordt vertolkt. Op verschillende plaatsen bakt men broden en koeken (soetencoeck) en overal ziet men dansende en zelfs zoenende mensen. Aan tafels zitten mensen te drinken, een enkele heeft zelfs al te veel gehad.
Daarnaast werd er vrijgeleide geboden aan lieden die het een en ander op hun kerfstok hadden. Zwervers, bedelaars, kwakzalvers muzikanten, professionele gokkers, toneelspelers, goochelaars en acrobaten hoorden vaak tot deze groep.
Wat was er zoal te beleven op de kermis? We hebben de markt al genoemd en natuurlijk het overvloedige eten en drinken en dansen. Voor het oog was er ook genoeg te beleven. Op de eerste plaats komt wel het vrouwelijk en mannelijke schoon. Dankzij de vrijheid op de kermis en de grote getalen waarin de mensen het feest bezochten was het een ideale huwelijksmarkt. Met een dansje en een borreltje zal menige
verloving op de kermis begonnen zijn. Dan was er ook nog het kijkspul. Op een kar of een klein podium werden toneelspelen opgevoerd. De stukken die er gespeeld werden waren niet zelden op het randje van wat toegestaan was. Het ging vaak over overspel en ook het gezag werd voor gek gezet. In tenten kon men zich, tegen een kleine vergoeding, vergapen aan de meest extravagante objecten en personen. Vrouwen met een baard, de langste, dikste of kleinste mensen werden er tentoongesteld, of vervaarlijke wilden uit Afrika.
Beesten met twee koppen of vijf poten, of gewoon exotische dieren, maar soms ook voorwerpen of kleding uit verre landen. Niet altijd was wat men te zien kreeg echt. De wildeman uit Afrika was met roet zwart gemaakt en de dikke madam had de nodige kussens onder haar kleed gepropt. Maar dat kon de pret niet drukken. Ook buiten de tenten was genoeg te zien. Vuurspuwers, acrobaten, jongleurs, mensen met acterende apen of dansende beren; het was een bont gezelschap.
Wie iets actievers wilde doen kon gaan koekhakken. Dit is een spelletje waarbij men met een bijl een taaie koek in twee klappen in drie stukken moest kappen. Lukte dat dan was de koek voor de kapper, anders was hij zijn geld kwijt. Andere nu wat gruwelijk aandoend vermaak was het te paard proberen een aan zijn poten opgehangen levende gans of haan de kop af te rukken. Soms werd daar ook een levende slijmerige paling voor gebruikt. Mocht na al het gefeest het geld bijna op zijn dan kon men met de laatste koperen muntjes nog proberen bij gokspelletjes als balletje-balletje de beurs wat aan te vullen. Of helemaal blut naar huis te gaan.
De kinderen waren natuurlijk ook op de kermis aanwezig. Ze aten mee en dronken en dansten mee en keken uiteraard hun ogen uit bij al die artiesten. Er waren destijds waarschijnlijk geen speciale kinderactiviteiten. Kinderen hadden immers geen geld en er was genoeg te beleven voor hen op de kermis. Bovendien werden kinderen in de middeleeuwen niet behandeld zoals kinderen nu, maar eerder als volwassenen die een beetje kleiner waren.
De kerk had, naast zalvende woorden, nog wat extra’s in de aanbieding, namelijk aflaten. Met een aflaat koop je een beetje van je straf af die je anders na je dood zou krijgen voor je zonden. Daarvoor moeten je zonden al wel door de kerk vergeven zijn... Men kon deze aflaten verdienen door te bidden of soms door ze gewoon te kopen. Zo werden er in Gemert in het jaar 1700 aflaten aangeboden door pastoor Gautius. Hij zei:”Dit segt pastor op den precstoel te Gemert op sondach na Dionysii als’t kerckwyhung is: Ghy vrienden en naburen ghy sult weten, also op huyden desen dach als kermis en kerckwyhungdach groten aflaet verleent is te weten 638 jaren ende 55 dagen ende 115 karenen (= aflaat om te vasten ), voerts op iedere dach inder octave 596 jaren aflaets ende 55 dagen ende 73 karenen.” Deze aflaten zullen ook wel nodig zijn geweest, want op de kermis werd nogal gebrast. De jaren straf in het vagevuur die men met deze uitspattingen riskeerde konden mooi vereffend worden met de gekochte of verdiende aflaten.
Zelfs misdadigers die in het openbaar werden gemarteld of terechtgesteld, of iemand bij wie een paar tanden moesten worden getrokken waren voor veel kermisgangers een buitenkansje.
Bron
Beuningen, H.J.E. van, Koldeweij A.M., Kicken, D, 2001, Heilig en profaan 2
Beuningen, H.J.E. van en Koldeweij A.M., Rotterdam papers, 1993, Heilig en profaan
Jansen, G.H. , 1987, Een roes van vrijheid.Kermis in Nederland
Valk-Wijn, E.A.F., Cauteren, J.M.A. van, 1995, Gieten en Gapen