Brood
Ook in de middeleeuwen bakte iedereen nog
zijn eigen brood aan huis. Het beroep bakker
komt pas op als men in de middeleeuwen in
steden gaat wonen. Rogge was goedkoop en
werd dus door de gewone man gegeten. De
rijken aten tarwebrood, ook wel herenbrood
genoemd of ‘witte broot.’ Door
de eeuwen heen was het beleg op de boterham
zeer afwisselend. Wat dacht je van witte
‘heerenbroot’ met kwartelpastei
en gekonfijte
vruchten? Dat was weggelegd voor de patriciër
uit de Gouden Eeuw, terwijl de gewone man
zijn homp
brood met reuzel at. Boter
en kaas zijn door de eeuwen heen in onze
streek zeer populair geweest.
In de middeleeuwen gebruikte men een flinke
snee roggebrood als bord. Dit diende om
het vet op te vangen van de gerechten. Was
je een arme sloeber, dan at je het bord
erbij op, was je een welgestelde, dan liet
je het liggen, en werd het onder de minderbedeelden
uitgedeeld. Want: “wiens brood men
eet, diens woord men spreekt.”
Groenten
Iedereen had in de middeleeuwen, ook in
de stad, een moestuin, waar men gewassen
in teelde zoals knollen, bieten, rapen,
verschillende soorten sla, bonen, linzen
en erwten, postelein, pasti-naak, prei,
ui, selderij en witte en gele wortelen.
Ook kweekte men eigen kruiden. De meest
gangbare waren dille, peterselie, mosterdzaad,
karwij, hop, hysop en peterselie. Op de
meeste erven stonden ook wel een of meerdere
fruitbomen (appel, peer, kers).
Vlees en vis
De meeste mensen
hadden een paar kippen voor de eieren en
voor de stoofpot als ze niet meer legden
en een varken, in een hok, om vet te mesten.
In de steden zag je ze ook wel los lopen.
Een koe of schaap werd vaak met meerdere
mensen samen gekocht en deze werden geza-menlijk
in een kudde gehoed, waarbij iedereen zijn
deel van het loon van de herder betaalde.
Ook in de dorpen deed men dit gezamenlijk.
Schaap
aan het spit, op de achtergrond olie om
in te vetten.
Deze
beesten werden pas op latere leeftijd geslacht,
omdat ze voornamelijk gehouden werden voor
de melk en de wol. Wild werd door de gewone
man niet of nauwelijks gegeten. Paardenvlees
ook niet. Dit was al eeuwen lang taboe en
ook door de kerk verboden. Wel at men vis,
zowel zeevis als riviervis, zeker op de
door de kerk vastgestelde dagen wanneer
vlees taboe was. Voor de rijken waren er
oesters. Mosselen werden in alle steden
verkocht, ook bij opgravingen in Eindhoven
zijn ze teruggevonden.
Drinken
Als drank dronk men voornamelijk bier,
dit had echter wel een veel lager percentage
alcohol dan het moderne bier. Wanneer er
schoon drinkwater bij de hand had dronk
men ook dit. Niet iedereen had echter een
bron bij de hand en water uit
putten en regentonnen is niet echt smakelijk.
Melk werd niet beschouwd als drank, maar
als voedingsmiddel, voor in de pap of om
kaas en boter van te maken.
Specerijen
Er was een wereld van verschil tussen de
keuken van de gewone stads- en plattelandsbevolking
en de keuken van de adel en rijkere geestelijken.
In de laatste
keuken werd uitbundig gebruik gemaakt
van bijzonder schaarse artikelen –
om mee te protsen. Bij het kasteel van
Eindhoven is luxe zeevis gevonden die
alleen tegen hoge kosten en moeite op
tijd hier kan zijn gekomen om smakelijk
verorberd te worden. De luxe recepten
uit de middeleeuwen
noemen allerlei
exotische ingrediënten uit Azië
of West-Afrika (o.a. tamarinde, kardamon,
kaneel, komijn en Afrikaanse pepersoorten).
Deze werden langs karavaan-wegen vervoerd
naar de kusten waar Italiaanse en Portugese
kooplieden ze kwamen ophalen. Zij brachten
ze vervolgens naar markten als Brugge
en met name Antwerpen. Natuurlijk waren
ze duur, door hun betrekkelijke schaarste
en het langdurig vervoer, en alleen welgestelde
mensen konden ze aankopen.
Bewaren
van voedsel
Men moest zorgen dat er voldoende voedsel
was om de winter door te komen. Voedsel
dat bewaard moest worden werd gedroogd,
gezouten of gerookt,
of combinaties hiervan. Ook werd het ingelegd
in azijn of in honing, maar dit laatste
was erg kostbaar net als de nog vrij recente
methode van het konfijten. Aan het einde
van de winter was er nog maar weinig. Het
is niet toevallig dat dat precies de periode
van “de grote vasten” (tussen
carnaval en Pasen) was.
Kookgerei
Koken gebeurde op open vuur in aardewerken
potten. Diegenen met meer geld hadden boven
hun haard een ijzeren of koperen ketel hangen.
Een
rijk man met ijzeren ketel en een groot
vat wijn, dat op de eerste winterdagen wordt
aangeslagen. Miniatuur uit de Kalendarium
Officium Beatae Virginis, de maand januari.
Forli (It), Biblioteca Civica.
Veel
ingrediënten werden tot moes gestampt,
maar de échte stampot is pas van
later datum. Als zeef werd een zeef van
paardenhaar gebruikt, daarnaast waren er
ook vijzels en stampers. Er werd ook veel
geroosterd, niet alleen vlees, maar ook
brood en vis. Het vocht dat daarbij vrijkwam
werd opgevangen in een vetvanger of druippan
en weer gebruikt bij andere gerechten.
Eetgerei
Er zijn heel veel aardewerken
potten, kommen en drinkbekers teruggevonden. In veel verschillende vormen
en maten. Lepels en messen waren er al,
de vork is van latere tijd.
Maaltijden
Voor het gewone volk betekende dit alles
eenvoudige maaltijden met groenten en fruit
van het seizoen, aangevuld met peulvruchten
en
granen en
weinig vlees. Men at drie maaltijden per
dag; ’s ochtends pap, ’s middags
het noenmaal met groenten van het seizoen
(of in de winter gedroogd
en gezouten), vlees en kruiden. Dit werd
meestal in één pot of ketel
gekookt als een soort van dikke hutspot.
Ook deeggerechten als pasteien en vlaaien
met zoete of hartige vulling werden bij
het noenmaal gegeten. Losse stukken vlees
kwamen bij speciale gelegenheden op tafel
en dan lang niet bij iedereen. Spek, ham
en worst waren veel gebruikelijker. Hierbij
at men brood. Het avondmaal bestond uit
resten van het noenmaal, aangevuld met pap.
Voor
alle mensen in alle perioden van de
geschiedenis gold: om in leven te
blijven, moet je eten. Alleen waren
er vroeger nog geen supermarkten met
een keur aan voedingsmiddelen en al
helemaal geen Chinese restaurants
met afhaalmogelijkheden of pizzakoeriers.
Wat men precies at, dat weten we pas
vanaf de late middeleeuwen, omdat
ze vanaf toen recepten gingen opschrijven.
Men was afhankelijk van eigen teelt
en eigen slacht. Al het eten moest
zelf bereid worden. In de stad kon
je op de markt of bij winkeliers eten
en drinken kopen, maar daar moest
je dan wel het geld voor hebben. Voor
de rijken waren er ook wijn en zelfs
specerijen en zuidvruchten te koop
bij speciale handelaren.
Veel
van de voor ons zo gewone producten
komen oorspronkelijk uit Amerika of
Azië, en waren er dus nog niet.
Dus geen witte en bruine bonen, aardappelen,
bananen, paprika's, chilipeper, pinda's,
blauwe bessen, cranberry's, maïs,
tomaten, ananas, cacao en kalkoen,
maar ook geen koffie en thee.
De
basis van de middeleeuwse kookkunst
ligt bij de Romeinen. Zij hebben
tradities in Europa geïntroduceerd
die ook na de val van hun rijk nog
lang bleven bestaan. Een belangrijke
bron van kennis over de Romeinse
kookkunst ishet
beroemde kookboek van "Apicius".
Apicius zelf was een steenrijke
fijnproever uit de eerst eeuw van
onze jaartelling, die zijn geweldige
kapitaal besteedde aan het experimenteren
met allerlei sausen en exotische
gerechten, voor zijn vrienden. Toen
hij failliet was pleegde hij zelfmoord
met vergif. Waarschijnlijk is maar
een deel van de recepten in wat
we nu kennen als het boek “over
de kookkunst” daadwerkelijk
van Romeinse komaf en dan nog niet
eens van Apicius. Hoofdauteur is
een zekere Caelius die de naam van
Apicius gebruikte omdat die in zijn
tijd (de derde eeuw na Christus)
al veel bekender was, om zo zijn
eigen boek te promoten. In de eeuwen
erna – totdat het in de 15e
eeuw werd gedrukt – is er
door anderen her en der heel wat
toegevoegd. Dankzij deze Apicius
en collega's kunnen we dus eigenlijk
een kijkje nemen in de middeleeuwse
keuken.
Apicius, De Re Culinaria
(Leiden: Sebastianus Gryphium),
De eerste gedrukte uitgave kwam tussen 1483
en 1486 op de markt.
De afbeelding is van een exemplaar uit 1541.
Bron
Nico
Arts, 1994, Sporen onder de kempische
stad, Archeologie, ecologie en vroegste
geschiedenis van Eindhoven 1225-1500. Eindhoven
Ria
Jansen-Sieben, Johanna Maria van Winter,
1998, De keuken van de late middeleeuwen,
Amsterdam
Paul
van Dun, 2002, De brouwerijen hebben
hier van oudst (....) altijds goede
neringhe gehadt, Overdruk uit:J.-M.
Goris (ed.), Bier, wijn, jenever
in de Kempen, Centrum voor de Studie
van Land en Volk van de Kempen,
nr. 16, 2002, p. 69-90, Herentals-Roosendaal
Henk
't Jong, 1999, De middeleeuwen
in Eindhoven, Een lezingencyclus
ten behoeve van de toekomstige medewerkers
van de middeleeuwse, uitbreiding van
het Prehistorisch Openluchtmuseum
te Eindhoven. Dordrecht
Jozien
Jobse - van Putten, Eenvoudig
maar voedzaam, Cultuurgeschiedenis
van de dagelijkse maaltijd in Nederland
Nico
Arts,1992, Het kasteel van Eindhoven,
archeologie, ecologie en geschiedenis
van een heerlijke woning 1420-1676,
Eindhoven ISBN 90-72478-18-5
Bruno
Laurioux, 1999, Tafelfreuden im
Mittelalter, die Esskultur der Ritter,
Buerger und Bauersleut, Augsburg, ISBN 3-8289-0727-X