De middeleeuwen in Brabant  
Eindhoven in de middeleeuwen

Dit is het eerste deel van de driedelige serie over Eindhoven, gebaseerd op: "De tijdkijker - middeleeuwen in Eindhoven" (2004), door Nico Arts. Zie ook:
Eindhoven in de middeleeuwen, deel 2 - 1225
Eindhoven in de middeleeuwen, deel 3 - 1500

 
1150 na Christus
Gedurende de twaalfde eeuw bestaan in de regio waar nu Eindhoven ligt nog uitgestrekte restanten van het oorspronkelijke prehistorische en ongerepte oerbos. Dit bos levert volop hout voor de bouw van huizen. Er leeft allerlei wild, zoals edelhert, ree en wild zwijn. Door de toenemende bevolking ontstaan in de twaalfde eeuw steeds meer kleinschalige nederzettingen. Men bouwt deze dorpjes op de hoogste plaatsen in het landschap.
Dicht bij de nederzettingen liggen kleine akkers met meestal graan. Door de onvruchtbare zandgronden kan men de akkers slechts enkele jaren gebruiken voordat ze uitgeput raken; het gebruik van mest is nog niet bekend. Zodoende dient men regelmatig een stuk bos te kappen om nieuwe akkers aan te leggen. Omstreeks 1500 zouden de laatste restjes oerbos worden gekapt en
ijzeroer
ontstaan uitgestrekte heidevelden op de uitgeputte akkers. Gedurende de twaalfde eeuw zijn de lage plekken in het landschap vochtig. Er stromen talrijke beken doorheen die regelmatig overstromen en dan in soms wel tientallen meters brede watervlakten veranderen. Op andere plaatsen bevinden zich allerlei moerassige gebieden met daarin veen en ijzeroer. In de beekdalen bevinden zich bossen met grasland; geschikt om het vee te weiden.

Vanaf het moment dat zo’n 5.000 jaar geleden, in de Steentijd, zich hier de eerste boeren vestigden worden huizen gebouwd die grotendeels van hout zijn. De staande palen van die huizen worden in de grond gegraven, de wanden worden met takken dicht gevlochten en aangesmeerd met leem; dat is een soort zandige klei. De daken zijn van gespleten boomstammen of van stro. Dit soort huizen wordt tot ver in de middeleeuwen gebouwd.
Dergelijke bootvormige huizen zijn hier gebouwd tussen ongeveer 900 tot 1250 na Christus. Historisch OpenluchtMuseum Eindhoven.
Dergelijke bootvormige huizen zijn hier gebouwd tussen ongeveer 900 tot 1250 na Christus. Historisch OpenluchtMuseum Eindhoven.
In de twaalfde eeuw hebben de huizen een min of meer bootvormige plattegrond. Dergelijke bootvormige huizen zijn hier gebouwd tussen ongeveer 900 tot 1250 na Christus. Het eerste huis van wat we nu Eindhoven noemen is omstreeks 1175 gebouwd, vermoedelijk de “Eind Hoeve”. In de twaalfde eeuw was dit een huis met een erf, gebouwd op het einde van een lange zandrug.
Vroegmiddeleeuwse stookplaats. (klik voor een uitvergroting)
In het huis bevindt zich een open stookplaats. Hier brand het hele jaar door overdag een vuur, zowel voor de verwarming als voor het bereiden van voedsel. Voor het stoken van dit vuur is erg veel brandhout nodig. Daarom heeft elk huis een eigen houtopslag die regelmatig wordt aangevuld. Van hout worden ook allerlei gereedschappen en meubilair gemaakt. De twaalfde eeuw is eigenlijk nog een houten tijdperk.
Waterput met putmik. (klik voor een uitvergroting)
Door de hoge grondwaterstand is het gemakkelijk drinkwater uit de bodem te halen. Daartoe is bij de meeste huizen een waterput aangelegd. In deze tijd zijn die waterputten altijd van een uitgeholde dikke eik gemaakt. Het aanleggen van zo’n boomstamput is veel werk: Eerst moet je de drie tot vier meter hoge en meer dan een meter dikke boomstam uithollen. Vervolgens moet je met een paar mensen een grote diepe kuil graven waarin de holle boomstam wordt geplaatst. Dat moet in één dag gebeuren om geen overlast van optrekkend grondwater te krijgen. Nadat de boomstam in de kuil is geplaatst wordt de kuil dicht geworpen. In de holle stam verzamelt zich grondwater. Dit water kan uit de put worden gehaald via een hefboom; de zogenaamde putmik.
De bevolking in de regio is in de twaalfde eeuw zelfvoorzienend; er wordt weinig geïmporteerd uit de omringende gebieden. Toch wordt er vaak meer verbouwd dan voor de eigen nederzetting nodig is. Deze kleine overschotten leveren mogelijkheden op voor ruilhandel. Een echte geldeconomie bestaat nog niet, dat wil zeggen dat er niet met muntgeld gehandeld wordt. Via ruilhandel worden vooral allerlei potten en pannen verkregen. Het meeste aardewerk is afkomstig van pottenbakkerijen in het zuiden van Limburg en in het Maasland.
Veruit de belangrijkste grondstof voor voedsel is graan. Na de graanoogst in augustus begint een drukke tijd. Het graan wordt met de hand gemalen tot meel waarvan pap wordt gemaakt of brood wordt gebakken (brood is het belangrijkste voedsel). Dit meel wordt voor het hele jaar op een droge plaats opgeslagen in huis. Ook het stro van het graan wordt gedroogd en binnen opgeslagen. Dit dient niet alleen als veevoer, men maakt er bijvoorbeeld ook matrassen van. Tevens dient het dak elk jaar te worden gerepareerd met vers stro. Ander voedsel is vis uit de plaatselijke beken, vlees van de slacht en allerlei in het bos verzamelde bessen en paddestoelen. Men verzamelt eetbare planten, noten en wortels.
Maalsteen met tafel. (klik voor een uitvergroting)
De maalstenen zijn van een vulkanisch gesteente uit de Eifel in Duitsland. Hier een foto van een later model.
 
Uitzicht op de reconstructie "Blixembosch". Historisch OpenluchtMuseum Eindhoven.
Reconstructie aanzicht van "Blixembosch". (klik voor een uitvergroting)
Reconstructie van Geldrop 't Zand (W. Beex 1999). (klik voor een uitvergroting)
Houtopslag bij broodoven buitenshuis. (klik voor een uitvergroting)
Houten lepels. (klik voor een uitvergroting)
Pingsdorf aardewerk: De Beerput als bron; P. Bitter, S. Oostkamp en R.Roedema; 2002. (klik voor een uitvergroting)
Andenne aardewerk, Wieringermeer.