Gedurende
de twaalfde eeuw bestaan in de regio waar
nu Eindhoven ligt nog uitgestrekte restanten
van het oorspronkelijke prehistorische en
ongerepte oerbos. Dit bos levert volop hout
voor de bouw van huizen. Er leeft allerlei
wild, zoals edelhert, ree en wild zwijn.
Door de toenemende bevolking ontstaan in
de twaalfde eeuw steeds meer kleinschalige
nederzettingen. Men bouwt deze dorpjes op
de hoogste plaatsen in het landschap.
Dicht bij de nederzettingen liggen kleine
akkers met meestal graan. Door de onvruchtbare
zandgronden kan men de akkers slechts enkele
jaren gebruiken voordat ze uitgeput raken;
het gebruik van mest is nog niet bekend.
Zodoende dient men regelmatig een stuk bos
te kappen om nieuwe akkers aan te leggen.
Omstreeks 1500 zouden de laatste restjes
oerbos worden gekapt en
ontstaan
uitgestrekte heidevelden op de uitgeputte
akkers. Gedurende de twaalfde eeuw zijn
de lage plekken in het landschap vochtig.
Er stromen talrijke beken doorheen die regelmatig
overstromen en dan in soms wel tientallen
meters brede watervlakten veranderen. Op
andere plaatsen bevinden zich allerlei moerassige
gebieden met daarin veen en ijzeroer. In
de beekdalen bevinden zich bossen met grasland;
geschikt om het vee te weiden.
Vanaf het moment dat zo’n 5.000 jaar
geleden, in de Steentijd, zich hier de eerste
boeren vestigden worden huizen
gebouwd die grotendeels van hout zijn.
De staande palen van die huizen worden in
de grond gegraven, de wanden worden met
takken dicht gevlochten en aangesmeerd met
leem; dat is een soort zandige klei. De
daken zijn van gespleten boomstammen of
van stro. Dit soort huizen wordt tot ver
in de middeleeuwen gebouwd.
Dergelijke
bootvormige huizen zijn hier gebouwd tussen
ongeveer 900 tot 1250 na Christus. Historisch
OpenluchtMuseum Eindhoven.
In
de twaalfde eeuw hebben de huizen een min
of meer bootvormige plattegrond.
Dergelijke bootvormige huizen zijn hier
gebouwd tussen ongeveer 900 tot 1250 na
Christus. Het eerste huis van wat we nu
Eindhoven noemen is omstreeks 1175 gebouwd,
vermoedelijk de “Eind Hoeve”.
In de twaalfde eeuw was dit een huis met
een erf, gebouwd op het einde van een lange
zandrug.
In
het huis bevindt zich een open
stookplaats. Hier brand het
hele jaar door overdag een vuur, zowel voor
de verwarming als voor het bereiden van
voedsel. Voor het stoken van dit vuur is
erg veel brandhout nodig. Daarom heeft elk
huis een eigen
houtopslag die regelmatig wordt
aangevuld. Van hout worden ook allerlei
gereedschappen en meubilair gemaakt. De
twaalfde eeuw is eigenlijk nog een houten
tijdperk.
Door
de hoge grondwaterstand is het gemakkelijk
drinkwater uit de bodem te halen. Daartoe
is bij de meeste huizen een waterput aangelegd. In deze tijd zijn die waterputten
altijd van een uitgeholde dikke eik gemaakt.
Het aanleggen van zo’n boomstamput
is veel werk: Eerst moet je de drie tot
vier meter hoge en meer dan een meter dikke
boomstam uithollen. Vervolgens moet je met
een paar mensen een grote diepe kuil graven
waarin de holle boomstam wordt geplaatst.
Dat moet in één dag gebeuren
om geen overlast van optrekkend grondwater
te krijgen. Nadat de boomstam in de kuil
is geplaatst wordt de kuil dicht geworpen.
In de holle stam verzamelt zich grondwater.
Dit water kan uit de put worden gehaald
via een hefboom; de zogenaamde putmik.
De
bevolking in de regio is in de twaalfde
eeuw zelfvoorzienend; er wordt weinig geïmporteerd
uit de omringende gebieden. Toch wordt er
vaak meer verbouwd dan voor de eigen nederzetting
nodig is. Deze kleine overschotten leveren
mogelijkheden op voor ruilhandel. Een echte
geldeconomie bestaat nog niet, dat wil zeggen
dat er niet met muntgeld gehandeld wordt.
Via ruilhandel worden vooral allerlei potten
en pannen verkregen. Het meeste
aardewerk is afkomstig van pottenbakkerijen
in het zuiden van Limburg en in het Maasland.
Veruit
de belangrijkste grondstof voor voedsel
is graan. Na de graanoogst in augustus begint
een drukke tijd. Het graan wordt met
de hand gemalen tot meel waarvan
pap wordt gemaakt of brood wordt gebakken
(brood is het belangrijkste voedsel). Dit
meel wordt voor het hele jaar op een droge
plaats opgeslagen in huis. Ook het stro
van het graan wordt gedroogd en binnen opgeslagen.
Dit dient niet alleen als veevoer, men maakt
er bijvoorbeeld ook matrassen van. Tevens
dient het dak elk jaar te worden gerepareerd
met vers stro. Ander voedsel is vis uit
de plaatselijke beken, vlees van de slacht
en allerlei in het bos verzamelde bessen
en paddestoelen. Men verzamelt eetbare planten,
noten en wortels.
De
maalstenen zijn van een vulkanisch
gesteente uit de Eifel in Duitsland.
Hier een foto van een later model.