Tot aan de ijzertijd  
De bewoners
Jagers en voedselverzamelaars
Brabant was niet leeg vóór de ijzertijd: al in de midden steentijd zwierven jagers en verzamelaars hier rond. De oudste vondst van Eindhoven dateert uit het die tijd, zo rond 35.000 vóór Christus. Het is een spits van een vuurstenen speer. Op bijna twintig Eindhovense terreinen zijn vondsten verzameld die dateren uit de oude en midden steentijd. Het zijn voorwerpen van rondtrekkende jagers en voedselverzamelaars. In deze tijden was Europe dunbevolkt en legden de mensen al rondtrekkend grote afstanden af: 's winters naar het zuiden, 's zomers meer naar het noorden, de dieren achterna.

Boerensamenlevingen uit de prehistorie
Omstreeks 3000 vóór Christus vestigden zich hier de eerste boeren-samenlevingen, komend vanuit het zuiden. De bestaanswijze werd fundamenteel anders, het ging hier echt om een revolutie! Sommige mensen hielden op als nomade te zwerven en begonnen een bestaan als boer.
De Agrarische Revolutie stamt uit het Nabije Oosten.

...In de bossen zijn akkers en tuinen opengekapt.

...In de bossen zijn akkers en tuinen opengekapt. De huizen staan evenwijdig aan elkaar langs de rand van het plateau, bij een klein dal.
Bron: L.P. Louve Kooijmans, J.H.F. Bloemers, H. Sarfatij (1981): Verleden Land

Naast het telen van bepaalde granen en andere landbouwgewassen werd er het vee gehouden dat we nu nog kennen. Maar de 'boeren' bleven daarnaast nog jagen (bijvoorbeeld op everzwijnen) om hun menu aan te vullen. Ook was het heel normaal om noten, bessen, appels of andere vruchten uit het bos te verzamelen, dat nooit ver weg was. Belangrijk verschil met het verleden is dat men op één plek blijft wonen in plaats van het voortdurende rond trekken. Buiten de vruchtbare bodems, in Nederland Zuid-Limburg, heeft het boeren-bedrijf op deze manier geen grote vlucht genomen. In Brabant en boven de rivieren bleef men liever jager-verzamelaar: dat was een makkelijker leven!
Toch was er veel onderling contact: voorwerpen van de boeren (zoals aardewerk) zijn gevonden verder naar het noorden en grondstoffen uit het noorden en westen kwamen bij de boeren terecht. In Drenthe en de andere noordelijke provincies worden door de plaatselijke boeren familiegraven opgericht: de hunebedden die we nu nog steeds kunnen herkennen.

Vanaf 2.000 vóór Christus wordt er een nieuwe belangrijke stap gezet: naast vuursteen voor gereedschap en (jacht)wapens kwam plotseling ook wat brons voor. Dat is een legering (samengaan) van tin en koper. Geen van tweeën komt hier voor: alles wordt geïmporteerd. Brons was erg duur en waarschijnlijk met name voor de elite. Doden werden in deze tijden gecremeerd en in veel ge-vallen bijgezet in een urn. Deze werd begraven in urnenvelden of in grafheuvels. In de nabijheid van elk urnenveld hebben meerdere dorpjes gelegen, die een dergelijk veld samen deelden. Uit Eindhoven en omgeving zijn dergelijke huissporen uit de bronstijd bekend. Kenmerkend is dat deze erven zich telkens rondom het grafveld verplaatsen. Vandaar dat ze ook wel ‘zwervende erven’ genoemd worden. Er zijn ook bronzen voorwerpen uit Eindhoven gevonden,
met name uit de dalen van de Dommel en de beekjes eromheen.
 
Een groepje mensen uit de periode van de vondsten van Rhenen in het Nederlandse rivierengebied. Een man wordt bij de vuursteenbewerking door een jongen geholpen.
In het open landschap met berken en dennen  keren twee mannen van de jacht terug bij de kamplaats; ca 6500 vóór Christus.
 
Een pronkstuk
van een vuistbijl, in 1970 gevonden bij Ospel in de Peel; lengte 15,3 cm. Late vuistbijlen zoals deze zijn vaak amandel-vorming, maar ze kunnen ook oval, rond of driehoekig zijn. Steeds zijn beide vlakken zorgvuldig bewerkt.
Een typisch hunebed: een graf uit de trechterbekercultuur.
Bronzen bijlen werden in een lemen vorm gegoten. Na het afkoelen werd de vorm kapot geslagen en bleef de bijl (met gietprop) over.