De ijzertijd in Brabant  
Vuur maken, deel 3 - materialen  

Dit is het deerde deel van de vierdelige serie over vuur maken, gebaseerd op: "De archeologie van het vuur" (1997), R.P. Paardekooper. Zie ook:
Vuur maken, deel 1 - theoretische achtergrond
Vuur maken, deel 2 - de praktijk

Vuur maken, deel 4 - de vonk … en dan?

 
In de vorige delen is er beschreven hoe het maken van vuur in zijn werk gaat, hier worden speciale ‘gereedschappen’ bij gebruikt. Hieronder wordt iets meer verteld over deze gereedschappen.
     
Wrijving
Bij deze methoden had je minimaal drie dingen nodig; de haard, de boor / zaag of ploeg en de tondel. Bij het vuur boren kwamen daar ook nog een pees, stuk steen / bot om druk mee uit te oefenen en eventueel een boog bij. Allereerst het haardblok. Om de hevige druk te weerstaan moet de haard ongeveer een centimeter dik zijn. Als het te dik is echter, moet de vonk een te lange weg afleggen voordat ze de tondel bereikt. Vaak is de haard van zacht hout, ook moeten er inkepingen in gemaakt worden om de bewegende delen (zaag, ploeg, boor) op hun plaats te houden.
De zaag kan van hout, of zelfs van een touw zijn. De ploeg is van hout dat harder is dan het haardblok. De boor dient ongeveer één centimeter in doorsnee te zijn. Een dikkere boor breekt misschien niet zo snel maar een boor met een kleine diameter draait sneller rond. Bovendien wordt de druk
zo geconcentreerd op een kleiner oppervlak. De boor moet aan beide einden afgerond zijn. Het belangrijkste bij het hout van de boor, is dat het hout niet
al te harshoudend is aangezien anders het poeder teveel gaat klonteren en
de wrijvingsenergie niet omgezet wordt in warmte. Voor de pees gebruikt bij het boren kan het beste (ongelooid) leer gebruikt worden. Touw is ook een optie, maar dat slijt sneller, waardoor er grotere kans is dat hij breekt.
De vuurboog kan het beste gemaakt worden van buigzaam hout; es, hazelaar of wilg. Tenslotte nog een stuk hout nodig om druk op de boor uit te oefenen. Hiervoor kan ook een steen of een bot met een uitholling (gewricht?) gebruikt worden.

   
Vuur slaan
Bij het vuur slaan heb je een aambeeld, vuurslag en tondel nodig. Voor de slagijzer methode is er om te beginnen een slagijzer, of ook wel vuurstaal.
Dit werktuig is voor een smid niet zo moeilijk te maken. Het ijzer moet echter wel meerdere keren gehard worden wat het proces wel bewerkelijker maakt. Als "aambeeld" is voor de eerste methode elke vuursteenafslag die redelijk in de hand past goed. Hoe hoger de kwaliteit van de vuursteen, des te beter.
De kwaliteit wordt bepaald door de hoeveelheid insluitingen, het aantal scheuren, en hij moet donker en egaal van kleur zijn. Bij grotere stukken vuursteen kan net als bij metaal de kwaliteit gekeurd worden door te luisteren: houd de steen losjes vast en tik er tegenaan met een andere steen.
Hoe helderder de klank en hoe langer deze blijft hangen, des te beter.
Bij de tweede methode wordt een markasietknol gebruikt. Een misverstand is dat men meestal spreekt van pyriet waar men markasiet bedoelt. Markasiet
en pyriet zijn chemisch aan elkaar gelijk (FeS2) en vallen samen onder de naam zwavelkies. Pyriet komt echter alleen voor in grofkristallijne vorm, bijvoorbeeld kubusjes, pyramides etc. Dit materiaal is erg hard. De andere vorm waarin zwavelkies voorkomt, is het fijnkristallijne markasiet. Dit komt
voor in knollen en is een stuk zachter en versplintert niet zo snel.
 
Tondel
Voor tondel kan een groot aantal verschillende materialen gebruikt worden. Bijvoorbeeld lisdoddenpluis, de herfst is het meest geschikte jaargetijde om
de sigaren te plukken, waarna ze een paar maanden moet drogen. Vervolgens kunnen ze het beste in een leren buidel bewaard worden, zodat ze niet volledig luchtdicht is afgesloten. Als de lisdodde toch nat wordt, kan ze gaan schimmelen.
 
IJzeren vuurslag, vuursteentje, lisdoddenpluis, verkoolde lapjes, berkenbast.
IJzeren vuurslag, vuursteentje, lisdoddenpluis, verkoolde lapjes, berkenbast.
Een andere mogelijkheid is tonderzwam, een zwam die ook bekend staat om zijn bloedstelpende kwaliteit. Doordat de tonderzwam zo uiteenlopende kwaliteiten heeft, is het moeilijk met behulp van de archeologische vondst van dit materiaal te bewijzen dat men wel of niet vuur heeft gemaakt op een bepaalde plaats. Tonderzwam (Polyporus [Fomes] fomentarius) is in de afgelopen millennia al zoveel gebruikt, dat ze nu in Nederland uiterst zeldzaam en dus beschermd is. In België en Duitsland komt hij meer voor. Tonderzwam behoort tot de zogenaamde boomzwammen en groeit vooral op dode beuken en berken. Ze kan van een paar centimeter tot wel 50 centimeter in doorsnee worden. Ze vormen grote hoeden die aan de bovenzijde zwartbruin zijn. Regelmatig vormt zich aan de onderkant een nieuwe laag fijne buisjes met sporen. Zo ontstaat een jaarringeneffect. De hoed bestaat uit een dun maar zeer hard schild. Het okerkleurige, kurkachtige vlees wordt afgewisseld met lagen van de buisjes. Om hier geschikte tondel van te maken moet de kurk eerst volledig vrijgemaakt worden met een scherp mes, waarna deze in fijne
(2 á 3 mm dikke) laagjes gesneden en goed gedroogd wordt. Als de tondel droog is, moet deze even weken in een oplossing van (liefst) paardenurine. Deze oplossing moet zeventig tot tachtig graden warm zijn. Na een uurtje weken kan de tondel daaruit verwijderd worden om te drogen. De zwam heeft nu de salpeter uit de urine opgenomen. In plaats van paardenurine kan er ook gebruik gemaakt worden van een oplossing van tien procent kalium (potassium) of "Salpeter Wasser". Zijn de repen zwam droog, kneus ze dan met een houten hamer tot dunne lapjes. Als de tondel klaar is, kan deze het beste waterdicht bewaard worden.
Makkelijker (maar niet archeologisch verantwoord) kunnen verkoolde linnen/katoen, verkoolde houtmolm of, nog beter, staalwol gebruikt worden.
De houtmolm kan verkoold worden in een vuurtje, maar met linnen / katoen gaat dat anders. Om dit materiaal te verkolen dient het in lapjes van ongeveer tien bij tien centimeter gesneden te worden, waarna het in een blik met een afsluitbaar deksel (denk aan een klein verfblikje) gestopt wordt. Dit blik heeft zowel in de boven als in de onderkant een klein gaatje. Met een ijzerdraad om het blik wordt het in het open vuur gehangen. Het blik moet gelijkmatig verwarmd worden, hetgeen bereikt kan worden door het regelmatig van plaats te doen veranderen. Al snel komt er rook uit de gaatjes. Als de rook afneemt
is het proces voltooid en kan het blik uit het vuur verwijderd worden om het af te koelen.
   
 
 
Pompboor met vliegwiel; Ad van Weert (1995).
A: Vuur maken door met de hand te boren. B) Vuur maken met vuurboog - detail. (klik voor een uitvergroting)
 
eenvoudige vuurstalen en stuk vuursteen (klik voor een uitvergroting)
IJzeren vuurslag, vuursteentje
lisdodde (klik voor een uitvergroting)
tonderzwam
Schematische opbouw van een tonderzwam; Hein & Tommer (1996). (klik voor een uitvergroting)
verkoolde linnen/katoen (klik voor een uitvergroting)
staalwol