|
|
Vuur maken, deel 3 - materialen |
|
| |
In
de vorige delen is er beschreven hoe het
maken van vuur in zijn werk gaat, hier
worden speciale ‘gereedschappen’
bij gebruikt. Hieronder wordt iets meer
verteld over deze gereedschappen.
|
| Wrijving |
Bij
deze methoden had je minimaal drie dingen
nodig; de haard, de boor / zaag of ploeg
en de tondel. Bij het vuur boren kwamen
daar ook nog een pees, stuk steen / bot
om druk mee uit te oefenen en eventueel
een boog bij. Allereerst het haardblok.
Om de hevige druk te weerstaan moet de
haard ongeveer een centimeter dik zijn.
Als het te dik is echter, moet de vonk
een te lange weg afleggen voordat ze de
tondel bereikt. Vaak is de haard van zacht
hout, ook moeten er inkepingen in gemaakt
worden om de bewegende delen (zaag, ploeg,
boor) op hun plaats te houden.
De
zaag kan van hout, of zelfs van een touw
zijn. De ploeg is van hout dat harder
is dan het haardblok. De
boor dient ongeveer één
centimeter in doorsnee te zijn. Een dikkere
boor breekt misschien niet zo snel maar
een boor met een kleine diameter draait
sneller rond. Bovendien wordt de druk
zo geconcentreerd op een kleiner oppervlak.
De boor moet aan beide einden afgerond
zijn. Het belangrijkste bij het hout van
de boor, is dat het hout niet
al te harshoudend is aangezien anders
het poeder teveel gaat klonteren en
de wrijvingsenergie niet omgezet wordt
in warmte. Voor de pees gebruikt bij het
boren kan het beste (ongelooid) leer gebruikt
worden. Touw is ook een optie, maar dat
slijt sneller, waardoor er grotere kans
is dat hij breekt.
De
vuurboog kan het beste gemaakt
worden van buigzaam hout; es, hazelaar
of wilg. Tenslotte nog een stuk hout nodig
om druk op de boor uit te oefenen. Hiervoor
kan ook een steen of een bot met een uitholling
(gewricht?) gebruikt worden.
|
| Vuur
slaan |
Bij
het vuur slaan heb je een aambeeld, vuurslag
en tondel nodig. Voor de slagijzer methode
is er om te beginnen een slagijzer,
of ook wel vuurstaal.
Dit werktuig is voor een smid niet zo
moeilijk te maken. Het ijzer moet echter
wel meerdere keren gehard worden wat het
proces wel bewerkelijker maakt. Als "aambeeld"
is voor de eerste methode elke vuursteenafslag
die redelijk in de hand past goed. Hoe
hoger de kwaliteit van de vuursteen, des
te beter.
De kwaliteit wordt bepaald door de hoeveelheid
insluitingen, het aantal scheuren, en
hij moet donker en egaal van kleur zijn.
Bij grotere stukken vuursteen kan net
als bij metaal de kwaliteit gekeurd worden
door te luisteren: houd de steen losjes
vast en tik er tegenaan met een andere
steen.
Hoe helderder de klank en hoe langer deze
blijft hangen, des te beter.
Bij de tweede methode wordt een markasietknol
gebruikt. Een misverstand is dat men meestal
spreekt van pyriet waar men markasiet
bedoelt. Markasiet
en pyriet zijn chemisch aan elkaar gelijk
(FeS2) en vallen samen onder de naam zwavelkies.
Pyriet komt echter alleen voor in grofkristallijne
vorm, bijvoorbeeld kubusjes, pyramides
etc. Dit materiaal is erg hard. De andere
vorm waarin zwavelkies voorkomt, is het
fijnkristallijne markasiet.
Dit komt
voor in knollen en is een stuk zachter
en versplintert niet zo snel.
|
| Tondel |
Voor
tondel kan een groot aantal verschillende
materialen gebruikt worden. Bijvoorbeeld lisdoddenpluis,
de herfst is het meest geschikte jaargetijde
om
de sigaren te plukken, waarna ze een paar
maanden moet drogen. Vervolgens kunnen
ze het beste in een leren buidel bewaard
worden, zodat ze niet volledig luchtdicht
is afgesloten. Als de lisdodde toch nat
wordt, kan ze gaan schimmelen. |
 |
| IJzeren
vuurslag, vuursteentje, lisdoddenpluis,
verkoolde lapjes, berkenbast. |
Een
andere mogelijkheid is tonderzwam,
een zwam die ook bekend staat om zijn
bloedstelpende kwaliteit. Doordat de tonderzwam
zo uiteenlopende kwaliteiten heeft, is
het moeilijk met behulp van de archeologische
vondst van dit materiaal te bewijzen dat
men wel of niet vuur heeft gemaakt op
een bepaalde plaats. Tonderzwam (Polyporus
[Fomes] fomentarius) is in de afgelopen
millennia al zoveel gebruikt, dat ze nu
in Nederland uiterst zeldzaam en dus beschermd
is. In België en Duitsland komt hij
meer voor. Tonderzwam behoort tot de zogenaamde
boomzwammen en groeit vooral op dode beuken
en berken. Ze kan van een paar centimeter
tot wel 50 centimeter in doorsnee worden.
Ze vormen grote hoeden die aan de bovenzijde
zwartbruin zijn. Regelmatig vormt zich
aan de onderkant een nieuwe laag fijne
buisjes met sporen. Zo ontstaat een jaarringeneffect.
De hoed bestaat uit een dun maar zeer
hard schild. Het okerkleurige, kurkachtige
vlees wordt afgewisseld met lagen van
de buisjes. Om hier geschikte tondel van
te maken moet de kurk eerst volledig vrijgemaakt
worden met een scherp mes, waarna deze
in fijne
(2 á 3 mm dikke) laagjes gesneden
en goed gedroogd wordt. Als de tondel
droog is, moet deze even weken in een
oplossing van (liefst) paardenurine. Deze
oplossing moet zeventig tot tachtig graden
warm zijn. Na een uurtje weken kan de
tondel daaruit verwijderd worden om te
drogen. De zwam heeft nu de salpeter uit
de urine opgenomen. In plaats van paardenurine
kan er ook gebruik gemaakt worden van
een oplossing van tien procent kalium
(potassium) of "Salpeter Wasser".
Zijn de repen zwam droog, kneus ze dan
met een houten hamer tot dunne lapjes.
Als de tondel klaar is, kan deze het beste
waterdicht bewaard worden. |
Makkelijker
(maar niet archeologisch verantwoord)
kunnen verkoolde
linnen/katoen, verkoolde
houtmolm of, nog beter, staalwol gebruikt
worden.
De houtmolm kan verkoold worden in een
vuurtje, maar met linnen / katoen gaat
dat anders. Om dit materiaal te verkolen
dient het in lapjes van ongeveer tien
bij tien centimeter gesneden te worden,
waarna het in een blik met een afsluitbaar
deksel (denk aan een klein verfblikje)
gestopt wordt. Dit blik heeft zowel in
de boven als in de onderkant een klein
gaatje. Met een ijzerdraad om het blik
wordt het in het open vuur gehangen. Het
blik moet gelijkmatig verwarmd worden,
hetgeen bereikt kan worden door het regelmatig
van plaats te doen veranderen. Al snel
komt er rook uit de gaatjes. Als de rook
afneemt
is het proces voltooid en kan het blik
uit het vuur verwijderd worden om het
af te koelen. |
|
|
|
|
|