|
In
de ijzertijd waren de Kempen bezaaid
met kleine gehuchtjes van 3 tot 5 boerenbedrijven:
elk met een groter huis met kleinere
schuren en spiekertjes (opslaghutjes)
eromheen. Aan de rand van de Kempen,
langs de rivieren, was de bodem vruchtbaarder
en het leven beter. De meeste nederzettingen
uit de late ijzertijd (vanaf 250 vóór
Christus) rond Eindhoven zijn alleen
bekend, omdat er op die plaatsen soms
grote hoeveelheden aardewerk scherven
zijn verzameld. |
 |
| |
| De
Kempische zandgrond (begrensd door Tilburg,
Venlo, Vught en het Belgische Peer) is
grof van structuur en één
van de armste van de gehele Benelux. Door
alle eeuwen heen brachten de akkers weinig
op, zonder mest zelfs vrijwel niets. |
Grondstoffen
voor het bouwen van huizen
In de late ijzertijd waren de Zuidbrabantse
zandgronden, al behoorlijk ontbost. Hout
zal hierdoor schaarser geweest zijn dan
eerder in de prehistorie.
Water was in de ijzertijd belangrijk:
om over te vervoeren belangrijker dan
zandpaadjes. Verder diende oppervlaktewater
als drinkwater. Er waren de grote rivieren
ver in het noorden, dichterbij waren er
de kleine beekjes. In de beekdalen groeide riet, maar waarschijnlijk
niet genoeg om alle daken mee te dekken.
Voor een dak van 250 vierkante meter zijn
2500 bosjes riet nodig met een omtrek
van 50 cm, dat is maar liefst 5 hectare.
Toch is riet heel goed dakbedekkingmateriaal:
licht, isolerend en duurzamer dan stro,
wat voor de ijzertijd meer voor de hand
ligt.
Stro is ook in historische
tijden gebruikt als dakbedekking in deze
contreien, waar in de natte gebieden riet
werd gebruikt. Het moet
wel goed gedorst worden, vanwege muizen
en dergelijke, en het gebruik voor dakbedekking
betekent een aanslag op de wintervoorraad
van de dieren. Stro kan dus worden toegepast
in gemeenschappen die meer op landbouw
dan op veeteelt gericht zijn.
Andere mogelijkheden voor dakbedekking
zijn plaggen, houten dakpannen (schalies)
en berkenbast met aarde / plaggen.
Plaggen waren in overvloed
aanwezig in deze omgeving, ontbost en
al. De grafheuvels zijn er, tijden voordat
dit huis neergezet werd, ook al van gebouwd.
Wat schalies betreft:
we hebben van verschillende archeologen
begrepen dat er in de midden ijzertijd
een relatief kleine populatie was. Dat
betekent dat bomen dus minimaal 100- 200
jaar de kans hebben gehad om door te groeien.
Er was dus aan het begin van de late ijzertijd
volop hout voor schalies.
Berkenbast was er waarschijnlijk niet
genoeg en ook nog eens van onvoldoende
kwaliteit voor een groot dak. |
Gereedschap
om mee te bouwen
Het ijzeren gereedschap waar een ijzertijdboer
over kon beschikken in de omgeving van
Eindhoven was: |
| Een
bijl/dissel. Deze had geen gat erdoor,
maar een soort schacht. |
| Een
beitel en guts. Deze had ook een schacht. |
| Een
zogenaamde lepelboor |
| Een
mes |
 |
| Voor
andere zaken zoals houten hamers, wiggen
en ladders is geen bewijsmateriaal omdat
organisch materiaal, zo gauw het bloot wordt gesteld aan zowel (grond)water als lucht geheel
vergaat. Het is echter wel aannemelijk dat ze hierover
beschikten. |
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
| Bron: |
| A.
Boonstra (1997): Twee manen lang,
Zestig dagen leven als in de ijzertijd (Zutphen) |
| L.P.
Louwe Kooijmans, J.H.F. Bloemers, H. Sarfatij
(1981): Verleden Land |
|
|
|